De schatkamer van het recht

DE SCHATKAMERS VAN HET RECHT
door Anton Zijderveld

Naast de Bijbel is het Romeinse recht een van de pijlers van de Europese beschaving. De tirannieke keizer Justinianus I liet dat recht vastleggen in het ‘Corpus Iuris Civilis’. Twee millennia later is de geest ervan opvallend actueel en zijn de vaak smakelijk beschreven privaatrechtelijke cases ook nu nog herkenbaar. Onlangs voltooide professor Spruit en zijn medewerkers de twaalfdelige Nederlandse vertaling.

Met de voortschrijdende eenwording van Europa dringt zich steeds meer de vraag op wat nou eigenlijk het culturele fundament en de culturele eenheid en identiteit van dit werelddeel is. Is daar eigenlijk wel sprake van? De Amerikaans-Britse dichter T.S. Eliot beantwoordde deze vraag positief. Ook wie ongelovig en onkerkelijk is, meende hij, moet toegeven dat de culturele eenheid van Europa, dat wil zeggen, dat wat dit werelddeel typeert en een eigen gezicht geeft, in het christendom gezocht moet worden.

Niet een taal, niet een etnische groepering, niet een politiek en economisch machtige natie, maar het christendom dat volken en talen overstijgt, is wat Europa ten diepste samenbindt. De Bijbel is het boek dat zeker toen het na de Reformatie in landstalen werd vertaald, de schriftuurlijke bron voor de Europese cultuur vormt. Maar dit boek bevat ook het Oude Testament. Eliot liet na naast het christendom het jodendom als tweede pijler van de Europese cultuur aan te wijzen.

Eliot vergat nog een andere pijler: het Romeinse recht. Ook waar recht niet gecodificeerd is, zoals in het Angelsaksische ‘common law’, heeft het Romeinse recht, dat bij uitstek ‘case law’ is, als juridische voedingsbodem gefungeerd. In nagenoeg alle beschavingen zien we hoe godsdienst en recht, vaak nauw met elkaar verstrengeld, de basis vormen voor maatschappelijke orde.

De bij uitstek sociologische vraag, hoe het toch mogelijk is dat mensen ondanks al hun verschillen in aanleg, interesses en belangen niet in chaos maar in orde leven, vindt hier haar antwoord: godsdienst en recht binden mensen aan waarden en normen die hun individuele verschillen overstijgen. Voor Europa geldt dat niet alleen de Bijbel maar ook het Romeinse recht, vooral zoals het is neergelegd in het ‘Corpus Iuris Civilis’ van Justinianus, de twee pijlers van zijn beschaving zijn.

Justinianus (482-565) was de laatste grote Oost-Romeinse keizer, die van 527 tot zijn dood in 565 in Constantinopel (Byzantium) regeerde. Hij droomde van een herstel van het oude Romeinse Rijk en trachtte deze droom militair, theologisch en juridisch te verwezenlijken. Hij voerde oorlog met name tegen de Germanen in het Westen, hij propageerde een dogmatisch orthodox christendom en hij gaf opdracht tot de codificatie van de enorme massa Romeinse wetten, verordeningen en rechtswetenschappelijke idee├źn die zich in een periode van 400 jaar hadden opgestapeld.

Hij was van eenvoudige komaf, werd door zijn oom en voorganger Justinus I opgevoed en tot keizer opgeleid en trouwde met de gewezen prostituee Theodora, die hem in intelligentie en sluwheid overtrof. Hoewel ijdel en heerszuchtig liet hij zich bijstaan door experts, zoals de veldheer Belisarius, de belastingdeskundige Johannes van Cappadocie en de jurist Tribonianus.

Zijn naam werd vooral onsterfelijk door de codificatie van het Romeinse privaatrecht het Corpus Iuris Civilis, dat hijzelf eens aanduidde als ‘de schatkamers van het recht’. Op 13 februari 528 stelde hij een wetgevende commissie in die de opdracht kreeg een wetboek samen te stellen uit alle nog geldende keizerlijke verordeningen. Doordat er al eerdere bundelingen van keizerlijk recht bestonden, kon de commissie haar werkzaamheden binnen een jaar afronden. Op 7 april 529 werd het nieuwe wetboek, de ‘Codex Justinianus’, gelanceerd, die elf dagen later in werking trad. Eerdere codices verloren daarmee hun werking.

Dit betekende niet dat nieuwe keizerlijke verordeningen (‘constitutiones’) verder uitbleven. De juristen van de keizerlijke kanselarij bleven actief, zodat al in 534 een herziene en aangevulde editie nodig was de ‘Codex repetitiae praelectionis’. Richtte deze vernieuwde codex zich vooral op de rechtspraktijk, in de rechtswetenschap en vooral in de opleiding van juristen groeide de behoefte aan een ordening van de chaotische hoeveelheid juristenrecht die zich in voorgaande eeuwen zonder samenhang had opgehoopt.

Op 15 december 530 gaf Justinianus aan een commissie van juristen onder leiding van Tribonianus de opdracht om parallel aan de codificatie van het keizerlijke recht te komen tot een codificatie van het vigerende juristenrecht, dat met de verzamelnaam ‘Digesta’ of met een Grieks woord ‘Pandektai’ werd aangeduid. (Het eerste is afgeleid van het Latijnse werkwoord ‘ordenen’ of ‘uiteenleggen’, het tweede van het Griekse werkwoord ‘verzamelen’ of ‘alles in zich opnemen’.)

De commissie-Tribonianus, bestaande uit vier hoogleraren van de rechtsscholen in Constantinopel en Beiroet en een aantal advocaten, moest de gigantische hoeveelheid juridische uitspraken excerperen en zowel herhalingen als inconsequenties verwijderen. Ook alles wat verouderd, overbodig en onvolledig was, mochten de ‘compilatoren’ weg redigeren.

Ze waren zo verstandig zich tot de teksten van slechts enkele tientallen voorgangers te beperken. Justinianus’ bewering dat ze 2000 boekrollen (‘libri’) met bij elkaar meer dan drie miljoen regels (‘versus’) hebben doorgeworsteld, mag dus wel als een keizerlijke overdrijving worden beschouwd. Dit neemt niet weg dat de uiteindelijke gebundelde Digesten vele dikke, moderne dundrukbanden bestrijken.

Justinianus dacht dat deze arbeid tien jaar zou duren. De commissie werkte kennelijk zeer efficient, want in drie jaar tijd had ze haar opdracht voltooid. Op 30 december 533 werden de Digesten officieel gelanceerd en traden ze als wetboeken voor de rechtspraktijk in werking. Justinianus verordonneerde meteen ook dat rechters voortaan alleen naar deze gecodificeerde wetten mochten verwijzen en juridische commentatoren werd het verboden in de teksten wijzigingen aan te brengen of exegetische kanttekeningen te plaatsen. Justinianus dacht zo het ultieme instrument in handen te hebben voor de juridische fundering en uniformering van zijn rijk.

Inmiddels groeide bij de compilatoren tijdens het werk aan de Digesten de overtuiging dat het goed zou zijn de Codex en de Digesten door een inleidend werk te laten voorafgaan. Dat zou dan vooral dienst kunnen doen als leerboek voor de eerstejaars studenten in de rechtsscholen van het Oost-Romeinse Rijk. Justinianus was het daarmee eens en gaf opdracht aan Tribonianus en de hoogleraren Theophilus van Constantinopel en Dorotheus van Beiroet om in navolging van de Institutiones (ca 160 n. Chr.) van Gaius de Justiniaanse Instituten samen te stellen. Deze Instituten, zo kondigde Justinianus op 21 november 533 plechtig af, waren bedoeld voor de naar rechtswetenschap dorstende jeugd (‘cupida legum iuventus’) die nu op overzichtelijke wijze kennis zou kunnen nemen van geldend en niet meer geldend recht. Maar hij zag in zijn Instituten meer dan een leerboek: het moest ook samen met de Codex en de Digesten fungeren als geldend recht. Tegelijk met de Digesten traden de Instituten op 30 december 533 in werking.

Uiteraard stond de Justiniaanse wetgeving na de voltooiing van de Codex, de Digesten en de Instituten niet stil. Er volgden tussen 534 en 556 nog vele ‘novellae constitutiones’ (‘nieuwe verordeningen’), merendeels in het Grieks, ook wel in zowel het Grieks als het Latijn geformuleerd. Zij vormen onder de naam ‘Novellen’ de afsluiting van het Corpus Iuris Civilis.

Nadat in de jaren tachtig de pre-Justiniaanse rechtsbronnen in vier banden onder leiding van de Utrechtse rechtshistoricus en romanist J.E. Spruit vertaald waren, wordt nu eveneens onder zijn hoofdredactie het integrale Corpus Iuris Civilis in twaalf banden uitgebracht. Zij bevatten de Latijnse teksten en parallel gedrukt de Nederlandse vertaling. Met de verschijning van de delen XI en XII is het project van 25 jaar voltooid.

Een groep van Nederlandse en Belgische romanisten en latinisten verrichtte dit monnikenwerk. Het monumentale standaardwerk wordt in fraaie opmaak uitgegeven door Amsterdam University Press. Spruit vestigt met dit gigantische project ongetwijfeld zijn naam als de Tribonianus van de Nederlandse rechtsgeschiedenis, met dit heilzame verschil dat hij niet in opdracht van een tirannieke keizer en een even onvoorspelbare keizerlijke echtgenote hoeft te werken .

Voor praktiserende juristen, voor juridische studenten en voor juridische leken die geinteresseerd zijn in de culturele fundamenten van Europa zijn deze banden een kostelijk bezit. De vertalingen zijn modern in de zin van eigentijds zonder ooit popularistisch te worden. Voor juristen en juridische studenten is de ‘ratio iuris’ (‘het innerlijk systeem van het recht’) of de ‘tenor iuris’ (‘de strekking van het innerlijk systeem’) die uit deze teksten oprijst, buitengewoon leerzaam. In al deze vaak smakelijk opgediste cases die eigenlijk willekeurig opgeslagen en gelezen kunnen worden (zoals je ook willekeurig in de Bijbel kunt lezen), wordt gezocht naar de juridische ratio die zoals de eerste paragraaf van het eerste boek van de Digesten meteen al aankondigt, uiteindelijk bestaat uit de ‘ars boni et aequi’ (‘de kunde van wat goed en billijk is’).

Juristen, wordt daar gezegd, kan men ook priesters noemen: ‘Wij beoefenen immers de gerechtigheid en verkondigen de kennis van wat goed en billijk is. Niet alleen door de vrees voor straffen, maar ook door de prikkel van beloningen streven wij ernaar de mensheid goed te maken.’ Hoeveel praktiserende juristen zijn deze roeping inmiddels vergeten? Hoe vaak nog worden tegenwoordig juridische studenten met deze roeping geconfronteerd?

Ik werd als cultuursocioloog tijdens het lezen van deze teksten vooral door twee aspecten getroffen. Ten eerste was het kennisnemen van al die gevallen uit het alledaagse leven van de Romeinen aan het begin van onze jaartelling meer dan een zich vermeien in het anekdotische. Mij viel op hoe dicht deze mensen met hun privaatrechtelijke besognes bij ons staan. Bijna twee millennia scheiden ons van hen, een enorme evolutie in het menselijke kennen en kunnen heeft zich in al die eeuwen voltrokken en desondanks kunnen we de emoties, de gedachten en de gedragingen volledig begrijpen en zelfs navoelen. Alleen de vanzelfsprekendheid waarmee de slavernij als privaatrechtelijk instituut wordt aanvaard, staat inmiddels ver van ons af (alhoewel, dat is ook pas minder dan anderhalve eeuw het geval).

Wat mij ten tweede opviel, is de welhaast moderne rationaliteit waarmee telkens weer getracht wordt om uit individuele en particuliere handelingen en gebeurtenissen algemeen geldige en geldende juridische consequenties te trekken. De bijna Wittgensteinse rationaliteit die tracht de duisternis van emoties te doorbreken, dit nauwgezette, bijna precieuze zoeken naar (juridische) waarheid geeft aan de teksten een kracht die de decennia en eeuwen met hun enorme culturele en historische diversiteit overstijgt. Natuurlijk hebben de redeneringen en oplossingen die geboden worden inhoudelijk allang geen rechtskracht meer. Maar de geest, de mentaliteit inderdaad de tenor iuris is zeker in de huidige postmoderne tijd opvallend actueel! We zien immers hoe de kerken en de theologie hun ordenende, hun zekerheid en troost biedende werking verloren hebben. We zien bovendien hoe het recht en dus de rechtvaardigheid de ars boni et aequi in formalisme en professionalisme dreigen te verdampen. Hoe goed is het om dan terug te keren naar de bronnen van onze Europese rechtscultuur en ons door middel van een ressourcement geestelijk te wapenen en te sterken.

De Europese Unie is vooral een economische en een bureaucratisch-abstracte unie. De discussies over een Europese grondwet zijn nog nauwelijks begonnen, laat staan dat we enigerlei besef hebben van wat ons in dit werelddeel cultureel kan of zou moeten samenbinden. Ondanks het Europa-zonder-grenzen houden diverse vormen van nationalisme ons Europeanen van elkaar gescheiden. Spruit heeft aan het slot van een rede die hij 16 mei 1987 aan de universiteit te Maastricht heeft gehouden, terecht opgemerkt dat de universaliteit van de Romeins rechtelijke ratio bij uitstek geschikt is om dat wat ons nationaal gescheiden houdt, te overstijgen.

Bibliografie: Spruit, J. E., Enchiridium. Overzicht van de geschiedenis van het Romeins privaatrecht, (Deventer: Kluwer, 1975); Spruit, J. E., Romeins recht. Terugblik en uitzicht, (Deventer: Kluwer, 1988); Spruit, J. E., K.E.M. Bongenaar, Het erfdeel van de klassieke romeinse juristen, vier banden, (Zutphen: De Walburg Pers, 1982, 1984, 1986, 1987); Spruit, J. E. e.a. (red.) Corpus Iuris Civilis. Tekst en vertaling. Band I, Instituten. Band II, Digesten 1-10. Band III, Digesten 11-24. Band IV, Digesten 25-34. (Sdu en Walburg Pers, 1993, 1994, 1996, 1997); Stein, Peter, Roman Law in European History, 1996, uit het Duits vertaald, (Cambridge: University Press, 1999).
Ik heb dit artikel als uitgangspunt gebruikt voor mijn afscheidscollege aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, 22 november 2002: In de schatkamers van het recht. Een sociologische verkenning van het Corpus iuris civilis, Amsterdam University Press, 2002.

Reacties zijn gesloten.