De Romeins tenor iuris cultuursociologisch belicht

Voltooiing uitgave Corpus Iuris Civilis

Senaatszaal Academiegebouw Universiteit Utrecht

15 november 2011.

 De Romeinse tenor iuris

cultuursociologisch belicht

A.C. Zijderveld

Het is natuurlijk een grote eer als socioloog en niet-romanist te mogen spreken tijdens dit symposium ter gelegenheid van de voltooiing van de uitgave van het Corpus Iuris Civilis. Mijn vriend en collega Spruit die ik in mijn Rotterdamse afscheidscollege de hedendaagse Tribonianus noemde, heeft me daarvoor uitgenodigd. Ik was hem toen dank verschuldigd omdat hij mij de ogen opende voor de fascinerende wereld van het Romeinse Recht. Hij schonk mij telkens na het gereedkomen de banden van het enorme oeuvre dat hij met enkele collega’s tot stand bracht. Onlangs kreeg ik de laatste twee banden, de tweede en derde van de Novellen – het sluitstuk van het volledige Corpus. Vooral de Institutiones inspireerde me tot het schrijven van een essay voor Het Financieele Dagblad waarvoor ik sedert de zomer van 1990 om de twee weken een korte, cultuursociologische overdenking en af en toe ook een groter essay schrijf. Dit essay over het grote vertaalproject van Spruit cum suis werd het uitgangspunt van mijn zojuist genoemde afscheidscollege op 22 novenmer 2002 in de aula van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Justinianus citerend droeg deze rede de titel In de schatkamers van het recht. De ondertitel luidde ‘Een sociologische verkenning van het Corpus Iuris Civilis’. Het werd overigens evenals de tekst en vertaling van het Corpus uitgegeven door de Amsterdam University Press.

 

In het afscheidscollege legde ik niet de nadruk op de inhoud van dit gigantische Corpus – de ratio iuris. Dat zou ook onterecht zijn, want ik ben geen jurist, laat staan specialist op het gebied van het Romeinse Recht. Ik nam afscheid van de twee faculteiten die ik sedert 1985 in Rotterdam met colleges had gediend: de juridische en de sociale faculteit. In de juridische faculteit onderwees ik primair de eerstejaars studenten en deed dat samen met de rechtsfilosoof  René Foqué. Wij probeerden de cupiditas legum bij de studenten aan te wakkeren. Collega Foqué richtte zich op de inhoudelijke ratio iuris, ik poogde vanuit een cultuursociologisch perspectief de tenor iuris te belichten. In mijn afscheidscollege vatte ik mijn visie op deze tenor iuris nog eens samen met een focus op het Romeinse Recht. Dat wil ik in het kort nu ook doen – maar dan aanvullend. Bij het voorbereiden en schrijven van mijn afscheidscollege beschikte ik nog niet over de ‘Novellen’. Dat is inmiddels wel het geval en het helpt mij nu enkele aanvullingen op dit college te geven.

 

Ik noemde destijds de tenor iuris van het Corpus Iuris Civilis ‘het ethos van het Romeinse Recht’ en dat handhaaf ik. Een ethos is anders en meer dan een ethiek. Ethiek is de normatieve, wijsgerige leer die uitgaat van morele waarden en normen en in die zin theoretisch en dogmatisch formuleert hoe mensen zich moeten gedragen. Ethos is een ruimer en dus ook vager begrip. Het komt overeen met het Duitse begrip Geist dat we ietwat plat kunnen vertalen met mentaliteit. De ten onrechte in vergetelheid geraakte, neo-kantiaanse filosoof Heinrich Rickert aan wie ik een tweede dissertatie heb gewijd, had terecht een hekel aan het woordje Geist. Hij heeft het vervangen door Kultur. Het gaat dan om de waarden en normen die het handelen van mensen – het denken, voelen en doen – richting geeft. Ik zal u niet langer vermoeien met dit soort begripsanalysen, wil alleen accentueren dat in mijn cultuursociologische visie de tenor iuris van het Romeinse Recht betekent de Geist, het ethos, de dominante mentaliteit en cultuur van dit juridische corpus. Het is een rijke en op verschillende punten nog steeds actuele cultuur.

 

In mijn afscheidscollege noemde ik enkele centrale elementen in deze tenor iuris. Zo viel mij op het materialisme en het individualisme. Het gaat in de ‘Codex’ en de ‘Digesten’ nagenoeg voortdurend over eigendom, contracten en erfopvolging. Wat het individualisme betreft heeft Max Weber er al op gewezen dat het Romeinsrechtelijke begrip societas (corporatie) iets anders betekent dan een geheel van wederzijdse verplichtingen tussen afzonderlijke socii. Rudolf Sohm zag evenwel in het Romeinse Recht al een ontwikkeling in de richting van een denken waarin maatschappelijke verbanden – staten, steden, corporaties, families – meer waren dan de som van hun onderdanen of leden. Verbanden kunnen inkomsten verwerven, vermogens opbouwen en hebben in die zin ook rechten en plichten. De res publicae staan in toenemende mate los van en zelfs tegenover de res privatae van de Romeinse burgers.

 

Daarnaast benadrukte ik het pragmatisme van het Romeinse civiele recht. Lezend in deze teksten valt het de socioloog op hoe onemotioneel en zakelijk de problemen van het alledaagse, maatschappelijke, vooral economische verkeer van de burgers behandeld worden. En dan valt natuurlijk ook op hoe inductief via concrete gevallen geredeneerd wordt. Ik noemde dat toen ‘opvallend modern’.

 

Maar nog geen kennis hebbend van de Novellen noemde ik de tenor iuris ook opvallend seculier. Godsdienst speelde er nauwelijks een rol in. En dat is wel juist voor het ‘klassieke’ Romeinse Recht van het Codex Iustinianus (529) en de Digesta of Pandektai (533). Maar in het licht van de Novellen is dat niet juist. Wel had ik goed begrepen dat het Justinianus in zijn politiek vooral ging om een herstel van de grootheid van het Romeinse rijk. Hij wilde vanuit Byzantium een Oost-Romeins rijk opbouwen en in stand houden dat een politieke en culturele eenheid zou vormen. Daartoe dienden een groot en machtig leger en een omvattend juridisch systeem. Maar ook en zeker niet in de laatste plaats een eenvormige godsdienst. Hij bestreed jodendom en christelijke ketterijen, en streefde naar een orthodoxe kerk die de eenheid van zijn gedroomde rijk inhoudelijk, geestelijk en moreel zou onderbouwen. Vooral in de Novellen wordt duidelijk dat het recht daartoe ook en wellicht zelfs primair kerkrecht moest zijn. Godsdienst was ook essentieel in de bestuurspraktijk. Zo begint de eed uit Novelle 8 die bij de aanvaarding van het gouverneursambt wordt afgelegd met de formule: ‘Ik zweer bij God de Almachtige, bij Zijn Eengeboren Zoon Jezus Christus onze God, bij de Heilige Geest, bij de Heilige Roemrijke Moeder Gods en altijd Maagd Maria, bij de Vier Evangeliën die ik in mijn handen houd, en bij de Heilige Aartsengelen Michaël en Gabriël, dat ik met een rein geweten onze heilige en vrome heersers Justianianus en Theodora, ‘s keizers gemalin, trouw zal dienen in het ambt dat mij door hun vroomheid is toevertrouwd….’ Ik weet niet of dit historisch juist is, maar krijg de indruk dat Procopius die in zijn beruchte Anecdota een buitensporig negatief beeld van ’s keizers gemalin Theodora heeft geschetst, hier op zijn nummer wordt gezet. Hoe dan ook, de formulering van deze eed benadrukt de orthodoxe theologie ten aanzien van de goddelijke natuur van Jezus en diens maagdelijke geboorte uit zijn moeder Maria.

 

In zijn fraaie inleiding tot de eerste band van de Novellen schrijft Spruit dat deze novellae constituiones veel minder formalistisch zijn dan de ‘klassieke’ teksten van de Codex en de Digesten. Ze hebben betrekking op maatschappelijke veranderingen die in het Oost-Romeinse Rijk plaats hebben gegrepen. Met andere woorden, ze zijn veel meer sociologisch van aard. Bovendien moesten ze net als de Instituten dienst doen voor een eigentijdse juridische opleiding en wel voor een soort van bovenbouwstudie van de studenten die aangeduid werden met cupida legum iuventus. Maar cultuursociologisch is wellicht vooral interessant dat naast strafrecht, privaatrecht en burgerlijk procesrecht veel aandacht werd besteed aan kerkelijk recht en staats- en bestuursrecht. Wat het laatste betreft valt het de cultuursocioloog die uiteraard ook godsdienstsocioloog is, op dat kerkelijk recht en staat- en bestuursrecht grotendeels samenvallen.

 

Door zijn preoccupatie met de eenheid van zijn rijk hing Justinianus de ideologie van het caesaropapisme aan. Kerk en staat, sacerdotium en imperium, vormen in zijn visie een niet te scheiden eenheid: de kerk verschaft de staat samenhang en geestelijke eenheid, de staat schraagt de kerk met zijn enorme macht. De juridische verordeningen hebben direkt betrekking op zowel de staat als de kerk. Dit is een constellatie die doet denken aan het bewind van de Engelse Hendrik VIII die vanwege een echtscheidingsprobleem de leiding over de kerk van de paus overnam. De Rooms-Katholieke kerk werd de Anglikaanse kerk. Tot op de dag van vandaag is de Britse monarch hoofd van de Anglikaanse kerk. Het spreekt vanzelf dat het caesaropapisme van Hendrik VIII en dat van Justinianus vooral de macht en wellicht ook het gezag van de vorst exponentieel vergrootte en versterkte. In ieder geval valt het in verschillende novellen op hoe ver en diep de invloed van de keizer op het kerkelijke bestel ging.

 

Een ander aspect dat me in de Novellen opvalt, is de persoonlijke toon waarin de verordeningen van de keizer worden verwoord. Neem bijvoorbeeld de volgende opmerking uit Novelle 143 die gaat over het ontvoeren van vrouwen en over ontvoerden die met hun ontvoerders huwen. De keizer is duidelijk verbolgen over deze praktijken en dat wordt als volgt verwoord: ‘Wij hebben ons erover verbaasd dat bepaalde lieden het gewaagd hebben te beweren dat…’ In vele Novellen spreekt de keizer op vaderlijke, patriarchale toon zijn onderdanen en vooral de bestuurderen in zijn rijk toe. Ook valt op dat het strafrecht gehumaniseerd wordt. Wrede bestraffingen worden afgewezen, zoals hoofdstuk 13 van Novelle 134 laat zien:’Omdat het Onze plicht is rekening te houden met de zwakheid van het menselijk geslacht verzachten Wij de lijfstraffen enigermate en verbieden het afhakken van beide handen of  beide voeten, of ook het toepassen van zodanige straffen dat daardoor de gewrichten losgescheurd worden, omdat het losscheuren van de gewrichten een zwaardere straf is dan het afhakken van beide handen.’ De islamitische sjaria zou er haar voordeel mee doen van deze Novelle kennis te nemen, want verderop leest men: ‘Bij diefstal echter willen Wij volstrekt niet dat enig lichaamsdeel wordt afgehakt of dat de dader sterft, maar hij moet op andere wijze gestraft worden.’ Grappig is dat ook hier, zoals op vele plaatsen in de Novellen, een haast overdreven precisie wordt nagestreefd: ‘Dieven noemen Wij degenen die heimelijk en zonder wapens deze misdrijven begaan; Wij bepalen namelijk dat overvallers, die met geweld te werk gaan, met wapens dan wel zonder wapens in een huis of op de weg of op zee, de door de wetten vastgestelde straffen moeten ondergaan.’ Minister Opstelten en Staatssecretaris Teeven kunnen hieruit overigens leren dat Justinianus geen voorstander was van eigenrichting: insluipende dieven en gewelddadige rovers krijgen te maken met wettelijk vastgestelde straffen.

 

Voorts valt het de socioloog op hoe welhaast modern de Novellen omgaan met de positie en de rechten van sociaal zwakkeren, in het bijzonder die van kinderen, vrouwen en in enkele opzichten ook slaven. Hoe eigentijds klinken de volgende woorden uit Novelle 14 uit 535 die zich keert tegen de praktijken van de souteneurs:

 

‘Want Ons is ter ore gekomen, dat sommige mensen diep gezonken zijn en met kwalijke en weerzinwekkende methoden gelegenheid zien om voor zichzelf walgelijke winsten te behalen: zij doorkruisen namelijk stad en land en verleiden arme meisjes waarbij zij hen als lokaas schoeisel en kleren voorhouden; zo verstrikken zij die meisjes in hun netten, brengen hen naar deze welvarende Stad (i.e. Constantinopel, ACZ), houden hen opgesloten in hun eigen etablissment, voorzien hen van karig voedsel en kleding en leveren hen vervolgens uit als lustobject aan wie maar zin heeft: alle jammerlijke inkomsten die worden binnengehaald via hun lichaam eigenen zij zich zelf toe. En de souteneurs laten de meisjes in schriftelijke contracten vastleggen, dat zij zich gedurende de door hen te bepalen tijd ter beschikking zullen stellen om hun die oneerbare en onoorbare dienst te verlenen; sommige souteneurs eisen zelfs nog een borg.’

 

Er wordt in de Novellen veel en graag gebabbeld. Ook deze Novelle gaat verder: de prostitutie dijt uit over de stad Constantinopel als een olievlek; niet alleen komt ze voor in het havenkwartier, ook elders in de keizerlijke stad, zelfs ‘in de directe nabijheid van heilige kerken en huizen van liefdadigheid’. Deze perversiteit, zo gaat het verder, gaat zelfs zover dat wanneer een prostituee dit immorele leven wil verlaten en wil gaan trouwen, de souteneur dat tegenhoudt. ‘Voorts zijn sommige souteneurs zo gewetenloos, dat zij meisjes van zelfs nog geen tien jaar oud in het verderf storten, met alle gevaren van dien: hierdoor kost het zelfs mensen die grote bedragen in goud neertellen nog de grootste moeite de diep ongelukkige schepsels los te kopen, ten einde een fatsoenlijk huwelijk met hen te sluiten.’ Het loopt de spuigaten uit, fulmineert de keizer. Iemand heeft hem onlangs onder vier ogen hierover het een en ander verteld. Hij heeft opdracht gegeven naar deze praktijken een onderzoek te verrichten, wat hem tot de conclusie heeft gebracht er hard tegen op te treden. Je zou bijna denken dat er toen beleidssociologen waren die een dergelijk onderzoek konden verrichten.

Maar heeft Justinianus aan de prostitutie een einde kunnen maken ? – een vraag die de bestuurderen van onze grote steden ongetwijfeld met spanning zullen stellen. Het kan niet anders dan dat het antwoord teleurstellend want ontkennend moet zijn. Immers politici en bestuurders zijn door de eeuwen heen met betrekking tot de prostitutie behoorlijk machteloos geweest. Wel heeft Justinianus getracht vooral het lot van de jonge prostituees te verzachten. Als in een edict bepaalt hij dat de borg die de meisjes hebben betaald, aan hen moet worden terugbetaald. En het contract dat ze gesloten hebben is niet rechtsgeldig. Hij bepaalt voorts dat de souteneurs na het ondergaan van lijfstraffen uit de stad verdreven moeten worden. Het is de taak van de pretoren – een soort van morele opzichters die door de stad gaan – om souteneurs op te sporen en te verjagen. Prostitutie wordt domweg verboden – uiteraard niet alleen in Constantinopel maar in het hele Oost-Romeinse Rijk. Maar het blijft allemaal wat machteloos. Het klinkt behoorlijk moralistisch als hij besluit met de opmerking: ‘Vrouwen immers moeten naar Onze wil en bede kuis leven: zij mogen beslist niet tegen hun wil worden gebracht tot een leven van ontucht en evenmin worden gedwongen zich goddeloos te gedragen.’ Heel eigentijds klinkt het wel nog als Justinianus de prostutie aanduidt als een ‘soort gedwongen arbeid’ – slavinnenarbeid dus.

 

Ik sprak eerder over de kerkrechtelijke ordening die in de Novellen wordt neergezet. Godsdienstsociologisch zijn dan ook de Novellen interessant die zich keren tegen wat omschreven wordt als ketterijen. Ik noemde eerder de bijna fanatieke inzet van Justinianus voor het behoud en de versterking van de eenheid van zijn imperium. En dat heeft uiteraard ook betrekking op het ultieme gezag van zijn keizerschap. In de Novellen  komen we een aantal verordeningen tegen die tot doel hebben ketterijen in te tomen, zoniet uit te bannen. Zij immers vormen de grootste bedreiging voor de vermeend enige ware orthodoxe kerk en dus ook voor de staat en het caesaropapistische keizerschap. De opening van Novelle 109 (541) is als een heldere en niet mis te verstane klaroenstoot:

 

‘Wij geloven dat Onze hoop op God gedurende het hele bestaan van Onze Staat en keizerlijk Gezag voor Ons de enige bijstand betekent, in het besef dat dit Ons de redding van Onze ziel en van Ons keizerschap biedt. Daarop dienen bijgevolg onze wettelijke bepalingen te rusten, daarop dienen zij gebaseerd en dit is hun begin, midden en einde. Allen weten derhalve dat de keizer vóór ons en in het bijzonder Leo [I], zaliger nagedachtenis, en Justinus, goddelijker gedachtenis, Onze vader, in hun verordeningen alle ketters verboden hebben dat zij enig ambt zouden ambiëren en op enigerlei wijze deel zouden hebben aan openbare functies, om te verhindern dat zij door hun ambt en hun openbare opdracht de indruk zouden wekken de geledingen van de heilige, katholieke en apostolische Kerk Gods te kunnen schaden.’

 

 

Ook hier valt weer op dat de bestrijding van ketterij niet is ontaard in kettervervolgingen, laat staan ketterverbrandingen, zoals later in de Middeleeuwen en vroeg-moderne tijd in Europa het geval is geweest. Ketters worden uitgesloten van openbare functies en dat heeft weer te maken met de eenheid van kerk en staat in het rijk van Justinianus. Een aantal ketterijen wordt met naam en toenaam vermeld maar dat wordt alles op eenvoudige wijze samengevat: ‘ketters’ zijn mensen die ‘in de katholieke Kerk de vlekkeloze communie van Haar godgeliefde geestelijken niet krijgen’. Daar vallen uiteraard ook de joden onder. Novelle 45 dat gaat over het lidmaatschap van de stadsraad door ketters als Joden, Samaritanen en Montanisten – ook Manicheërs en Nestorianen worden tot de ketters gerekend – worden weliswaar beschimpt – ze heten ‘verachtelijke personen’ met ‘boosaardigheid en stompzinnigheid’ – maar toch niet ersntig gediscrimineerd. Dus toch wel een vorm van openbare functie! Ze blijven leden van de stadsraad met de daaraan verbonden verplichtingen, al mogen ze niet van de voorrechten ervan genieten. Wel kunnen ze getuigenverklaringen afleggen tegen orthodoxe leden van de raad. Wat in Novelle 146 dat over de joden gaat, opvalt is dat er geen sprake van antisemitisme is. De joden worden als godsdienstige groep, niet als etnische groep of  ras opgevat. Justinianus bemoeit zich met een tegenstelling die onder de joden bestond: zij die de Bijbel, c.q. wat christenen het Oude Testament noemen, uitsluitend in het Hebreeuws willen lezen en voorlezen tegenover liberalejoden die de Griekse tekst van de Septuaginta gebruiken. In Novelle 146 wordt de kant van de joden gekozen die voor het gebruik van de Griekse vertaling zijn. Grieks is de lingua franca van het Oost-Romeinse Rijk. We mogen aannemen dat Justinianus beducht was voor het gebruik van het voor velen, zeker voor de keizer, onbegrijpelijke en dus hermetische Hebreeuws.

 

In mijn genoemde afscheidscollege volgde ik Spruit die in zijn geschiedenis van het romeinse privaatrecht, Enchiridium, concludeert dat de opzet van Justinianus om met het Corpus bij te dragen aan de eenheid van zijn imperium is mislukt. Het Latijn was niet langer in zijn Oost-Romeinse Rijk in gebruik. De meeste Novellen werden in het Grieks geschreven. En buiten Constantinopel, in de vele, vaak verre regio’s fungeerden lokaal gewoonterecht en traditionele volksrechten. De gouden tijd voor het Romeinse Recht zou eerst aan het einde van de 11e eeuw aanbreken en wel na de herontdekking ervan aan de Universiteit van Bologna. En dat is cultuursociologisch interessant. Immers dit was ook de tijd dat in Noord-Italië de handelssteden zich ontwikkelden. De burgerij werd rijk en machtig en emancipeerde zich van de tot dan heersende standen, de geestelijkheid en de adel. Voor deze handel waren contracten en dus het privaatrecht essentieel. Het Romeinse privaatrecht fungeerde als het ware als een model en droeg bij aan de opkomst van een nieuwe cultuur – de steedse cultuur van een invloedrijke bourgeoisie. Ook dit is een ethos, een mentaliteit die zich losmaakte van het ethos van kerk en adel – een ethos dat dominant economisch was en gedreven werd door dadendrang. Inderdaad, een arbeidsethos. Bovendien was en is in de wereld van het handelen het vertrouwen – de ook nu weer veel besproken trust – van eminent belang. Die trust ligt verankerd in maatschappelijke corporaties die tezamen een civil society, een burgersamenleving vormen. In deze steden in Noord-Italië en later in de Hansesteden van Noord-Europa gaat het niet alleen om economisch maar ook om sociaal kapitaal. Ook dat thema is na het hoogtij van de verzorgende staat en het einde van het communisme in Oost-Europa weer volop in discussie. Helaas wordt vergeten dat het Romeinse privaatrecht aan de wieg daarvan heeft gestaan en in zijn ethos, zijn tenor iuris, veelal nog actueel is.

 

Ik moet afronden. Mijn cultuursociologische enthousiasme dreigt wat op hol te slaan. Maar ik wil toch nog eindigen met een pleidooi, waarmee ik ook mijn afscheidscollege besloot. Ik ben van mening dat het Romeinse Recht weer een centrale plaats in het juridische onderwijs moet krijgen. Met name in het eerste jaar van de universiteit moeten studenten de cupiditas legum bijgebracht worden. Door de tekst en vertaling van het Corpus Iuris Civilis kunnen de Codex en de Digesten gelezen worden, maar naar mijn mening zijn de Instituten en de Novellen voor dit onderwijs het meest geschikt. Hoe interessant zou het niet zijn indien het eerstejaars onderwijs over het Romeinse Recht door rechtshistorici en cultuursociologen gegeven zou worden. Rechtssociologie is een specialisme dat wellicht in een latere fase van de studie interessant kan zijn. Maar cultuursociologie is naast de rechtsgeschiedenis belangrijk indien aan de hand van de Instituten en de Novellen eerstejaars rechtenstudenten geconfronteerd worden met niet alleen de ratio iuris, doch vooral ook de fascinerende tenor iuris van het Romeinse Recht die de bakermat was en is van het Europese recht. Helaas is echter het ethos van zowel de juridische als de sociologische opleidingen hiervan ver verwijderd.

 

 

 

Reacties zijn gesloten.